Onderwerp: Algemeen

Kalibemesting van zetmeelaardappelen

2 mei 2011

Het is bekend dat kali een grote invloed kan hebben op het OWG en het uitbetalingsgewicht. Bij een stikstofgift die op het ras is afgestemd, is het effect van een hogere kaligift op het uitbetalingsgewicht bij de oogst echter vrij gering. Na bewaring is er een lichte trend aanwezig dat een hogere kaligift resulteert in minder bewaarverlies en zodoende in een hoger uitbetalingsgewicht in het voorjaar. De geconstateerde verschillen zijn echter klein en gebaseerd op slechts één jaar onderzoek. De resultaten van het bewaarseizoen 2001/2002 zijn nog niet bekend, aangezien de aardappelen op dit moment nog in de bewaring zitten. Toch zijn de trends zodanig dat in de praktijk zonder risico een hogere kaligift kan worden aangeraden voor de aardappelen die voor langere tijd moeten worden bewaard Lees verder

Juiste detaillering voorkomt scheurvorming mestkelder : beton en techniek

2 mei 2011

Doorgaande scheurvorming in mestkelders is ongewenst uit oogpunt van de mest- en waterdichtheid. Een juiste detaillering van de kelder voorkomt onnodige scheuren. Lees verder

drogen van leghennenmest : analyse en modellering

2 mei 2011

Verschillende methoden om leghennenmest te drogen worden met elkaar vergeleken Lees verder

Methodiek voor berekening van ammoniakemissie uit de landbouw in Nederland

2 mei 2011

De landbouw is de belangrijkste bron van ammoniak (NH3) in Nederland. De ministeries van LNV en VROM hebben de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM) gevraagd om de huidige methodiek voor de monitoring van opgetreden NH3-emissies uit de landbouw in Nederland te reviewen en zonodig te reviseren. Met de rekenmethodiek worden de NH3-emissies uit stallen en mestopslagen, bij beweiding en bij toediening van mest en kunstmest aan de bodem op nationaal niveau berekend. Een werkgroep van de CDM heeft de rekenmethodiek gereviewd en de methodiek aangepast. Er zijn twee belangrijke wijzigingen ten opzichte van de huidige rekenmethodiek doorgevoerd, namelijk i) de emissiefactoren voor stallen, beweiding, kunstmest en mesttoediening zijn geactualiseerd en ii) alle emissiefactoren worden nu gebaseerd op het gehalte aan totaal ammoniakaal stikstof (TAN) in plaats van op het gehalte aan totaal stikstof (N). De met de nieuwe methodiek berekende NH3-emissie uit de landbouw in 2005 bedraagt 121,3 miljoen kg NH3 en is daarmee 1,3 miljoen kg NH3 hoger dan de emissie berekend met de huidige methodiek. Er zijn echter wel grote verschillen tussen beide methodieken in de berekende emissies van de afzonderlijke NH3-bronnen. De emissies uit mest- en kunstmesttoediening zijn hoger en die uit stallen, mestopslagen en beweiding zijn lager bij de nieuwe methodiek dan bij de huidige methodiek. Berekeningen laten zien dat de berekende NH3-emissie op nationaal niveau met name gevoelig is voor het TAN-aandeel in de N-excretie en voor de NH3-emissiefactor voor mesttoediening. Op basis van de studie worden verschillende aanbevelingen gedaan over toepassing en onderhoud van de rekenmethodiek en over nader onderzoek. Deze publicatie is tot stand gekomen dankzij samenwerking tussen: CBS, LEI, Alterra, Plant en Dier wetenschappen, Planbureau voor de Leefomgeving Lees verder

Regels voor handel en vervoer van compost

2 mei 2011

In deze folder staan de regels voor handel en vervoer van compost; wat is compost en wat zijn de eisen? Lees verder

Stikstofbemesting bij andijvie : timing (start, bijmesting) en plaatsing (plant, rij, bed)

2 mei 2011

In een demoproef met meststoffen werd in 2006 gevonden dat een startgift een positief effect had op de opbrengst van andijvie, ondanks een hoge Nmin-voorraad in de bodem. Dit sloot aan bij ervaringen van telers, en discussie hierover in de bladgewassenwerkgroep van Telen Met Toekomst leidde tot de huidige proef, waarin het effect van timing en plaatsing van stikstofkunstmest op de productie van andijvie bekeken is. De proef is uitgevoerd in twee plantingen: begin juli (proef 1) en begin augustus (proef 2). In proef twee is meer bemest dan in proef 1 en is er gevarieerd met de verdeling van de meststof (Kas) tussen planttijdstip en drie weken na planten. Een gift bij start blijkt een snellere weggroei te hebben en kan een hogere opbrengst bij oogst. Wanneer een startgift volvelds gegeven wordt, komt er veel N tussen de planten en tussen de rijen, dus nog buiten bereik van de pas geplante plantjes. Om het risico op uitspoeling te beperken kan volstaan worden met een kleiner startgift specifiek toegediend bij de plantjes Lees verder

Kunstmeststrooien, iedere korrel een schot in de roos : mestactieplan

2 mei 2011

De exacte strooihoeveelheid per hectare kan worden berekend op basis van een bemestingsadvies of de behoefte van de teelt, de nutriëntenreserves in de bodem, het al of niet gefractioneerd toedienen en de formulering van de kunstmeststof. Vanuit landbouwoogpunt, milieuoverwegingen als omwille van de voedselveiligheid wordt het zelfde nagestreefd: de berekende hoeveelheid kunstmest moet zo gelijkmatig mogelijk over de percelen verspreid worden Lees verder

Bomen beschermen tegen de kastanjemineermot

2 mei 2011

De paardenkastanjemineermot ontsiert ’s zomers vrijwel alle kastanjes in Nederland. Verschillende bedrijven bieden middelen waarmee je dit probleem aan kunt pakken. Door de plant te versterken, het blad onaantrekkelijk te maken voor insecten of gewoon door de boosdoeners om zeep te helpen. Lees verder

Mineralenbelasting van de kippenuitloop : kippenuitloop gezond en groen

2 mei 2011

Dieren die buiten lopen laten daar ook hun mest vallen. Gezien de hoge dichtheid aan kippen in de uitloop roept dat vragen op over de mineralenbelasting van de uitloop. Aarnink et al. (2005) hebben daar gedetailleerd onderzoek naar gedaan, en de uitkomsten wijzen op hoge belastingen met name nabij de stallen. In dit project is dit vraagstuk in hoofdlijnen op twee manieren benaderd: door metingen in de bodem en door mineralenbalansen op bedrijfsniveau op te stellen. Daarvan wordt hier verslag gedaan Lees verder

Quick scan stikstofwerking van dierlijke mest : actualisering van kennis en de mogelijke gevolgen van aangepaste forfaits

2 mei 2011

De stikstofwerking van dierlijke mest bepaalt mede in welke mate mest belastend is voor de omgeving. De verstekwaarden (‘forfaits’) voor de stikstofwerking waarmee boeren geacht worden te rekenen, zijn verder bepalend voor de aanvullende kunstmestgiften die binnen het systeem van gebruiksnormen toegediend mogen worden. Het onderhavige rapport concludeert dat de forfaits van enkele algemeen gebruikte mestsoorten aanpassing behoeven om de realiseerbare gemiddelde werking (afgeleid uit veldproeven en modelberekeningen) correct te weerspiegelen. Bij akkerbouw- en tuinbouwgewassen zou dat tot een aanpassing van toelaatbare kunstmestgiften moeten leiden Lees verder